dip
Koop een koffie
Module 03 · Schoolweek-routines

De sportclub, de muziekles, de tekenles

By the dip team · Clinical consultant: Pauline Sam, MD ·

4–78–128 min lezen
De sportclub, de muziekles, de tekenles

De sportclub, de muziekles, de tekenles

Module 03 · Schoolkindroutines · Artikel 19 · Wave 2 · 4-12 jaar


Woensdag, half vijf. Voetbaltraining. Zaterdag, tien uur. Pianoles. Dinsdag, vijf uur. Tekenles.

Drie vaste activiteiten. Drie vaste kosten. Drie keer ophalen. Drie keer een tas inpakken.

De activiteiten pauzeren niet voor het schema tussen twee huizen. De trainer verzet de training niet omdat je kind deze woensdag bij het andere huis is. De pianojuf verwacht hetzelfde uur op hetzelfde tijdstip. De tekenles heeft zijn eigen ritme.

Dit artikel gaat over de vaste naschoolse activiteiten van de schoolleeftijd. Sport. Muziek. Tekenen. Dans. Theater. Scouting. Wat de activiteit ook is, het probleem eronder is steeds hetzelfde: een vaste afspraak die dwars door het wisselschema tussen twee huizen loopt, met spullen, met kosten, met de verwachting dat je er bent, en (vaak) met een kind dat het echt belangrijk vindt.

Het is de luchtigere variant van het artikel over weekendscholen. De meeste principes overlappen. Dit artikel gaat over het praktische en het leuke. Dit zijn de activiteiten die je kind zelf heeft gekozen, of is gaan waarderen, of gewoon doet omdat het leuk is.

De keuze om te beginnen

De meeste kinderen rollen per toeval een activiteit in. Een vriendje ging op voetbal. De school had een muziekprogramma. Er is een tekenles bij een van de huizen in de buurt. De activiteit komt vanzelf voorbij.

De keuze om te beginnen is meestal klein. Wil je het eens proberen? Je kind zegt ja, gaat erheen, en vindt het leuk of niet.

De keuze wordt groter als de activiteit veel kost, veel tijd vraagt of een serieuze verbintenis is. Een serieus muziekprogramma met dagelijks oefenen. Een sport op niveau met toernooien in het weekend. Een theaterschool waar je voor auditie moet.

Daarvoor zijn beide ouders bij de keuze betrokken. Het artikel over de gedeelde basisbeslissing geldt dan. Module 03, artikel 15, behandelt dat uitgebreider.

Voor de kleinere activiteiten kan één ouder het gesprek meestal beginnen. Ze wil op voetbal. Er is een club bij mij in de buurt. Woensdagavond. Het kost zoveel. De mede-ouder zegt oké. Klaar.

Het schema

De activiteit moet doorgaan op het afgesproken moment, bij welk huis je kind die dag ook is.

Er zijn drie patronen die werken.

De activiteit vertrekt vanuit één huis. De voetbaltraining is op woensdag. Je kind is de ene woensdag bij het ene huis en de andere woensdag bij het andere. Hoe dan ook brengt dat huis (of die ouder) je kind naar voetbal. Na de training gaat je kind naar het huis waar het die avond hoort.

De activiteit ligt geografisch dichter bij één huis. De pianojuf woont in de buurt van één ouder. Je kind heeft pianoles op de dag die past, en meestal regelt de ouder die dichtbij woont het.

De activiteit reist mee. Sommige activiteiten zijn flexibel. Online muziekles. Spullen voor de tekenles die je in beide huizen kunt gebruiken. Zelf oefenen. De activiteit past zich aan het schema aan.

Wat het beste werkt, hangt af van de activiteit. Een teamsport met een vast trainingsmoment moet op dat moment plaatsvinden. Pianoles kan soms schuiven. De tekenles ligt meestal vast.

Als het schema botst

Soms valt de activiteit op een dag die niet netjes in de wisseling past.

De voetbaltraining is woensdag om half vijf. De mede-ouder heeft de woensdagen. Hij heeft geen auto. De activiteit is bij de club waar de andere ouder voor koos, aan de andere kant van de stad dan waar de mede-ouder woont.

Dit is op te lossen.

De eerste ouder kan je kind op woensdag halen en brengen, ook al is het de dag van de mede-ouder. Je kind gaat naar voetbal en daarna naar de mede-ouder voor de nacht. De ene ouder doet wat extra geregel voor de activiteit van het kind, de andere is flexibel met de afspraak over de huizen.

Een opa of oma of een vriend van de familie kan ophalen en je kind bij de mede-ouder afzetten.

De activiteit kan naar een andere dag of een andere club, als er een vergelijkbare optie is.

De activiteit kan op pauze als het echt niet werkbaar is.

Wat je kiest, hangt af van wat belangrijk is. Houdt je kind van de activiteit, dan is het de moeite waard om een manier te vinden. Is de activiteit vooral een belasting voor het schema geworden, met weinig wat je kind eraan heeft, dan mag je ermee stoppen.

De spullen en het oefenen

Elke activiteit vraagt om andere spullen en ander oefenwerk.

Sportspullen. Voetbalkleren, zwemspullen, een turnpakje, balletschoenen. Dezelfde principes als bij het gymspullenartikel. De spullen reizen met je kind mee. Of er zijn twee sets, één in elk huis, afhankelijk van het schema.

Instrumenten. Wie serieus speelt, oefent dagelijks. Het instrument reist met je kind mee tussen de huizen. Of er zijn twee instrumenten, één in elk huis, voor instrumenten die je makkelijk meeneemt. Grotere instrumenten (een piano, een drumstel, een cello) staan in één huis, en je kind oefent alleen op de dagen daar. Beide ouders ondersteunen het oefenen.

Tekenspullen. Meestal minder kritiek. Je kind kan in beide huizen basisspullen hebben. Specifiek materiaal voor een specifieke les kan meereizen.

Het principe: wat de activiteit praktisch nodig heeft, is in beide huizen geregeld, in welk patroon dan ook dat werkt. Het principe uit eerdere artikelen, dat de tas met je kind meereist, geldt ook hier.

De kosten

De kosten van een activiteit horen bij de andere gedeelde schoolkosten.

Een paar specifieke punten.

Jaarlijkse contributie. Sportclubs, muziekscholen en dansscholen vragen vaak een contributie per jaar. Die kosten deel je aan het begin van het jaar, niet maand voor maand.

Materiaal. Een eerste investering in materiaal (een nieuw instrument, een fiets speciaal voor de sport, een serieuze set tekenspullen) is een eenmalige uitgave die telt. Beide ouders zijn het eens voordat de aankoop gedaan wordt.

Toernooien en uitvoeringen. Bij sommige activiteiten komen er kosten bij (inschrijfgeld voor een toernooi, een kostuum voor een optreden, examengeld). Die komen af en toe langs. Beide ouders weten het van tevoren.

Reizen. Bij sommige activiteiten hoort reizen (een toernooi buiten de stad, een muziekkamp, een wedstrijd). Beide ouders zijn het eens over de reiskosten en spreken af wie meegaat.

Vervanging. Materiaal gaat kapot. Kleren worden te klein. Instrumenten hebben onderhoud nodig. Het budget voor vervanging deel je op dezelfde manier als de rest van de kosten.

Het gesprek over geld is rustig en voorspelbaar als je het aan het begin van de activiteit hebt afgesproken.

De uitvoeringen en de wedstrijden

Het grotere moment in een activiteitenjaar is de uitvoering, de wedstrijd, het concert, de voorstelling.

Beide ouders zijn erbij als het maar enigszins kan. Hetzelfde principe als bij schoolactiviteiten. De avond is van het kind.

Kan maar één ouder erbij zijn, dan weet je kind dat van tevoren. Papa kan zaterdag niet bij de wedstrijd zijn, hij moet werken. Hij kijkt de video. Ik ben er wel. Je kind gaat beter om met de afwezigheid als die op tijd benoemd is.

Komt je mede-ouder structureel niet opdagen, neem het dan zoals het is. Je kind ziet het patroon. Het gesprek tussen jou en je kind is eerlijk, maar niet vijandig. Papa is niet altijd bij de wedstrijden. Hij vindt het belangrijk, en hij houdt van je. Hij laat dat op zijn eigen manier zien. Dat kan je kind dragen.

Bij de grotere uitvoeringen (het eindconcert, de beslissende wedstrijd, de tentoonstelling) loont het om alles uit de kast te halen zodat beide ouders erbij zijn. Deze momenten blijven je kind bij.

Als je kind wil stoppen

Je kind zit al drie jaar op voetbal en wil opeens niet meer.

Dat gebeurt. Soms is de activiteit klaar. Soms is je kind dat niveau ontgroeid. Soms speelt er iets met een vriendje. Soms is je kind gewoon moe.

Het gesprek is rustig. Wat is het deel dat je niet leuk vindt? Luister. Praat je kind het stoppen niet meteen uit het hoofd.

Speelt er iets met een vriendje of met de trainer, dan lost een kleine verandering het soms op (een ander team, een ander tijdstip). Is de reden fundamenteel (je kind heeft er geen plezier meer in), dan mag je stoppen.

De mede-ouder is bij de keuze om te stoppen betrokken. Was de activiteit een langere verbintenis, dan zijn beide ouders het eens voordat je kind ermee ophoudt.

Een opmerking over wat de ouder erin steekt. Soms zit een ouder er meer in dan het kind. De pianoles die begon omdat de ouder het wilde. Het voetbal waar de ouder vroeger zelf van hield. Geeft je kind aan er klaar mee te zijn, dan telt dat de ouder loslaat. De activiteit had waarde, en het heeft net zo goed waarde om te weten wanneer je moet stoppen.

Als de activiteit het probleem wordt

Zeldzamer patroon. De activiteit wordt het ding dat het welzijn van je kind raakt.

Te veel. Vijf activiteiten in de week. Je kind is uitgeput.

Te veel druk. Een trainer die overdreven fanatiek is. Een leraar die hard is.

Iets met een vriendje bij de activiteit dat maar niet overgaat.

Een kind dat boven zijn niveau geduwd wordt: een selectie waar het nog te vroeg voor is, een muziekexamen zonder genoeg voorbereiding.

In al deze gevallen is het antwoord een stap terug. Minder. Pauze. Praat met de trainer of de leraar. Neem rust. De activiteit hoort er voor je kind te zijn, niet andersom.

Beide ouders beslissen samen. Ben jij het oneens met je mede-ouder (de een wil dat je kind doorzet, de ander wil een stap terug), dan is het welzijn van het kind de toets. De ouder die luistert naar hoe je kind het echt ervaart, heeft het meestal goed gezien.

Tot slot

Woensdag, half vijf. Voetbaltraining. Het ophalen is bij school. De rit naar de club duurt een kwartier. De training duurt anderhalf uur. Daarna eten in het huis waar ze die avond hoort.

Dit ritme gaat door, week na week. De mede-ouder haalt de ene woensdag op, jij de andere. Ze voetbalt. Ze speelt piano. Ze gaat naar de tekenles. Ze bouwt, op de kleine manieren van de kindertijd, aan dingen die ze haar leven lang houdt.

Als het ritme staat, is de activiteit onzichtbaar op de manier waarop gezonde dingen onzichtbaar zijn. De spullen worden gewassen. Het oefenen gebeurt. De wedstrijden en de concerten komen en gaan. Beide ouders staan langs de lijn bij de grotere momenten. Je kind groeit.

Dit is het doel. Geen heldhaftige inspanning. Een rustig ritme van kleine, trouwe activiteiten waar je kind van houdt, gedragen door twee ouders die er allebei, op hun eigen manier, zijn.

Dit is ondersteunende zelfhulp, geen medisch, psychologisch of juridisch advies, en geen vervanging voor een gekwalificeerde professional. Als jij of je kind in gevaar kan zijn, bel dan de lokale hulpdiensten.