dip
Koop een koffie
Module 10 · Gezondheid & medicatie

Het kind met astma, het kind met een chronische aandoening

By the dip team · Clinical consultant: Pauline Sam, MD ·

Alle leeftijden12 min lezen
Het kind met astma, het kind met een chronische aandoening

Het kind met astma, het kind met een chronische aandoening

Module 10 · Gezondheid & medicatie · Artikel 05 · Wave 3 · alle leeftijden


Je zoon is zes. Hij kreeg vorige winter de diagnose astma. Hij heeft een bruine inhalator die hij twee keer per dag neemt, een blauwe inhalator voor noodgevallen, en een geschreven zorgplan van de kinderlongarts dat op de koelkast in je keuken hangt.

Jij en je mede-ouder verdelen de week ongeveer gelijk. Hij is bij jou thuis van zondag tot woensdagochtend; bij haar thuis van woensdagmiddag tot en met zaterdag.

Het is donderdagochtend en je zit aan de keukentafel. Hij is bij zijn moeder. Je zit met iets specifieks in je hoofd.

Vorige week, toen hij weer bij jou kwam, had hij drie doses van zijn bruine inhalator gemist. Niet omdat zijn moeder slordig is. Maar omdat de inhalator bij jou thuis blijft en hij er bij haar geen tweede heeft. De routine valt uit elkaar rond de wisseling. Drie gemiste doses zijn geen noodgeval, maar het patroon begint zich af te tekenen.

Je pakt je telefoon. Je schrijft naar je mede-ouder. Ik denk dat we een tweede bruine inhalator nodig hebben. Eentje voor elk huis. Zal ik hem vandaag via de huisarts bestellen?

Dit artikel gaat over het gesprek dat daarna komt.

Waar dit artikel over gaat

Het principe is dit. Een chronische aandoening verschuift de structuur van het ouderschap rond gezondheid van losse gebeurtenissen naar iets doorlopends. De vaardigheden die de huisarts beschreef in Module 09, de afstemming van kosten in Module 07, de manier van communiceren in Module 08, het wordt allemaal dagelijks op de proef gesteld, niet af en toe. Het werk is niet om één ziekte goed af te handelen; het is om een structuur te bouwen die dezelfde aandoening aankan, in twee huizen, jaren achtereen, met beide ouders even vaardig. De prijs van dit verkeerd doen is medisch: slechte therapietrouw, gemiste doses, achteruitgang. De winst van dit goed doen is groot: een kind dat goed leeft met zijn aandoening, ongeacht in welk huis het deze week is.

Het artikel behandelt vier dingen. Het principe om alles dubbel te hebben. Het gedeelde geschreven plan. De afstemming met school en het bredere netwerk. En de specifieke, lastigere gevallen waar de structuur van dit artikel iets voor biedt, maar die extra zorg vragen.

Het artikel is geschreven voor ouders van kinderen met astma, diabetes, ADHD met dagelijkse medicatie, epilepsie, ernstige allergieën, eczeem dat dagelijkse behandeling nodig heeft, of welke andere aandoening dan ook die jarenlang dagelijkse, doorlopende zorg vraagt. De details verschillen per aandoening; het werk aan de structuur is vergelijkbaar.

Het principe om alles dubbel te hebben

Bij een chronische aandoening heeft elk huis een volledige werkset nodig. Niet één set die meereist.

Medicatie. Onderhoudsmedicatie in beide huizen. Noodmedicatie (de blauwe inhalator, de EpiPen, de glucagon, de diazepam) in beide huizen. Een achtervang bij de apotheek voor als er iets vergeten wordt.

Hulpmiddelen. Voorzetkamers voor de inhalatoren. Bloedglucosemeters en teststrips. Insulinepennen. Batterijen voor het gehoorapparaat. Eczeemzalf in de juiste tubes. De spullen die de medicatie ondersteunen, beschikbaar waar het kind slaapt.

Documentatie. Het zorgplan. Het actuele doseringsschema. De recente brieven van de specialist. Het schoolplan. Alles, in beide huizen, op een duidelijk vindbare plek.

Kennis in het hoofd. Beide ouders kennen de aandoening. Beiden herkennen een aanval. Beiden kunnen de noodmedicatie toedienen. Beiden kunnen de uitlokkende factoren benoemen, de waarschuwingssignalen, en de momenten waarop je moet ingrijpen.

Telefoonnummers. Huisarts, specialist, kinderspoedeisende hulp. Opgeslagen in de telefoon van beide ouders. Makkelijk te vinden.

De dubbeling is op drie manieren duur. Geld, want sommige hulpmiddelen zijn kostbaar. Tijd, want twee sets gevuld en actueel houden kost administratief werk. Aandacht, want beide ouders moeten op de hoogte blijven van wijzigingen.

De dubbeling is nodig, want het alternatief is precies het patroon uit de openingsalinea. De meereizende medicatieroutine breekt bij elke wisseling. Doses worden gemist. De aandoening van het kind trekt zich niets aan van welke week het is.

Een aparte opmerking over de kosten. Sommige medicijnen en hulpmiddelen zijn duur genoeg dat de dubbeling een echte post in het budget wordt. Dit is een gesprek voor Module 07. Eerlijk gezegd: de kosten van dubbel aanschaffen horen bij de kosten van een chronische aandoening, en die kosten horen tussen beide ouders verdeeld te worden volgens de afspraak die de gedeelde uitgaven regelt. De ouder bij wie thuis een astmamedicijn ontbreekt, bespaart geen geld; die ouder verschuift de kosten terug naar de gezondheid van het kind.

Het gedeelde geschreven plan

Bij een chronische aandoening is het geschreven plan van de specialist de ruggengraat van de structuur. Beide huizen hebben een exemplaar. Beide ouders hebben het gelezen. Beiden kunnen de basis opdreunen.

Bij astma. Het zorgplan heeft meestal drie zones: groen (goed, normale medicatie), oranje (verergerend, meer medicatie of een stap omhoog), rood (noodgeval, noodmedicatie en bellen). De uitlokkende factoren. De waarschuwingssignalen. Wat je doet als het erger wordt. Beide ouders moeten kunnen herkennen wanneer de zone verandert en daarnaar handelen.

Bij diabetes. Het zorgplan dekt de normale streefwaarden voor de bloedsuiker, het tellen van koolhydraten en het doseren van insuline, de protocollen voor een hypo en een hyper, de regels voor ziektedagen. Beide ouders vertrouwd met de dagelijkse beslissingen; beiden in staat om om drie uur 's nachts op een hypo te reageren.

Bij epilepsie. Het plan rond aanvallen. Hoe een aanval er bij dit specifieke kind uitziet. Wat je doet tijdens een aanval. Wanneer je belt. Welke noodmedicatie er is en wanneer je die gebruikt.

Bij ADHD. Het medicatieplan, met de timing rond de schooldag. Medicatie op schooldagen tegenover wat er in het weekend anders is. Hoe de specialist tegen vakanties aankijkt. De gedragsstrategieën die de medicatie aanvullen.

Bij ernstige allergieën. Het plan om blootstelling te vermijden. Het protocol voor als er toch blootstelling is. De training met de EpiPen. De communicatie met school.

Bij eczeem. De dagelijkse huidverzorging. De uitlokkende factoren. Wanneer je belt bij een opflakkering. Wanneer je doorverwijst naar de specialist.

Deze plannen worden bijgewerkt wanneer de specialist ze bijwerkt. Het vaste medische aanspreekpunt (Artikel 01) regelt de update; beide ouders krijgen de nieuwe versie; de exemplaren in beide huizen worden vervangen. Oude plannen worden vernietigd; alleen de actuele versie is in gebruik.

Een werkdocument dat het bijhouden waard is naast het officiële plan van de specialist: een korte, lopende notitie van recente afspraken, dosiswijzigingen en observaties. Elke ouder draagt eraan bij. Een gedeelde digitale map, een simpel bestandsformaat. De specialist hoeft dit niet te zien; het is voor de ouders, om elkaar over de gaten heen op de hoogte te houden.

De afstemming met school en het bredere netwerk

Bij een chronische aandoening wordt school een cruciale derde partij.

Eén zorgplan, ondertekend door beide ouders. De meeste scholen vragen hierom. Het plan is het document van de specialist plus de aanpassingen specifiek voor school (waar de medicatie wordt bewaard, wie het toedient als dat nodig is, wat er gebeurt tijdens de gymles, wat er gebeurt op schoolreisjes). Dat beide ouders tekenen, geeft school het signaal dat dit vaststaand terrein is; latere bezwaren van één ouder zetten het niet opzij.

Beide ouders op de lijst met noodcontacten. Beiden bereikbaar. Beiden volledig gemachtigd. De schoolverpleegkundige of de administratie zou niet in de situatie moeten komen dat ze de ene ouder bellen en de andere niet bereiken als dat nodig is.

De schoolverpleegkundige kent de situatie. Persoonlijk als het kan; via documentatie als het niet anders kan. De verpleegkundige is tijdens schooltijd vaak degene die het plan dagelijks uitvoert. Een band met de verpleegkundige, onderhouden door de ouder die het werk rond schoolgesprekken doet, doet ertoe.

De leerkracht kent de basis. Niet de details van de specialist. De basis. Ons kind heeft astma; dit is wat je doet als hij een aanval krijgt in de klas. De blauwe inhalator ligt bij de schoolverpleegkundige. De leerkracht zou de aandoening niet midden in een aanval moeten ontdekken.

De ouders van vriendjes, waar relevant. Voor logeerpartijtjes, verjaardagen, speelafspraken. Als het kind een ernstige allergie heeft, moet de ouder van het vriendje het weten. Als het kind tijdens het logeren voor het slapen een medicijn moet nemen, moet de ouder van het vriendje het weten. Deze communicatie loopt meestal via een van de ouders (vaak degene met het grootste sociale netwerk), maar beide ouders horen te weten wat er aan wie is doorgegeven.

Vakantiekampen, sportclubs, muziekdocenten. Iedereen die het kind langer dan een uur of twee onder toezicht heeft, moet de basis weten. De communicatie is kort, op schrift, en komt van de ouder die het kind inschrijft.

De afstemming met school en netwerk wordt, als ze goed gebeurt, onzichtbaar. Het kind gaat naar school, het astmaplan ligt klaar, de verpleegkundige handelt een piepende ademhaling goed af, de ouders krijgen die middag een kort bericht. Het systeem werkt omdat iemand er eerder voor zorgde dat de mensen die het moesten weten, het wisten.

Wanneer de structuur op de proef wordt gesteld

Vijf patronen komen geregeld terug bij ouderschap rond een chronische aandoening.

De aandoening verandert. Een medicijn werkt niet meer. Een nieuw symptoom duikt op. Een groeispurt verandert de dosering. Een afspraak bij de specialist brengt een ingrijpende verandering aan het licht. Beide ouders moeten betrokken zijn bij het gesprek over die verandering, zeker als het gevolgen heeft voor het dagelijks leven (een ander schema, nieuwe hulpmiddelen, veranderingen in het dieet). Het vaste aanspreekpunt neemt de leiding bij de uitvoering; beide ouders zijn op de hoogte en op één lijn.

Een tiener neemt de eigen zorg over. Rond hun dertiende, veertiende of vijftiende beginnen veel kinderen met een chronische aandoening hun dagelijkse medicatie zelf te beheren. Dat hoort bij die leeftijd; het is ook een kwetsbare overgang. Beide ouders moeten de groeiende zelfstandigheid steunen en tegelijk beschikbaar blijven als achtervang. Het patroon dat misgaat: de ene ouder laat sneller los dan de andere, met de tiener klem tussen twee vuren. Stem het loslaten op elkaar af.

De aandoening wordt het conflict. Soms ontkent de ene ouder de ernst van de aandoening, of vindt dat de diagnose te snel is gesteld, of wil alternatieve aanpakken proberen die de mede-ouder onveilig vindt. Artikel 09 in deze module gaat hier uitgebreid op in. Het korte antwoord: meningsverschillen over het zorgplan zijn gesprekken voor mediation, niet voor de dagelijkse logistiek. De medicatie moet nog steeds goed gegeven worden terwijl het grotere gesprek loopt.

Het kind gebruikt de aandoening. Oudere kinderen, zeker bij aandoeningen met onduidelijke symptomen, gebruiken de aandoening soms om hun zin te krijgen. Ik kan dit weekend niet naar papa, want mijn astma is erg. Of: Ik kan de inhalator niet nemen als ik bij papa ben, want hij laat me het niet doen. Beide ouders moeten herkennen wanneer dit gebeurt en er hetzelfde op reageren. De aandoening is echt; het manipuleren eromheen is iets aparts om aan te pakken. Bespreek het met de specialist als je dit patroon ziet ontstaan.

Een ernstige episode of een ziekenhuisopname. Beide ouders moeten erbij zijn als de diagnose wordt bijgesteld. Beiden moeten dezelfde woorden van de specialist horen. Het dagelijkse in het ziekenhuis kan rouleren; de informatie over de structuur is gedeeld. Het kind moet zien dat beide ouders de aandoening serieus nemen en dat de reactie op elkaar is afgestemd.

De specifieke, lastigere gevallen

Diagnoses rond de geestelijke gezondheid. Als de aandoening depressie is, angst, een eetstoornis, ADHD met grote impact, of iets ingewikkelders, gelden de principes van dit artikel nog steeds, maar heeft het specifieke werk extra kanten. Module 10, Artikel 07 gaat specifiek over geestelijke gezondheid. Het kader van de chronische aandoening in dit artikel hoort naast dat artikel gelezen te worden.

De aandoening die nieuw is. Als de diagnose net is gesteld, kunnen de twee ouders in verschillende fasen van acceptatie zitten. De een hoopt misschien nog dat het niet waar is; de ander is al diep in het regelen. Jullie twee moeten een manier vinden om in hetzelfde hoofdstuk van hetzelfde verhaal te zitten; dat is soms het diepste werk dat de chronische aandoening van het ouderschap vraagt.

Het meningsverschil over de specialist. Soms hebben de twee ouders een voorkeur voor verschillende specialisten, of wil de een een second opinion die de ander niet wil. Dat is meestal de moeite waard, rustig nagestreefd. In de meeste gevallen brengt een tweede consult nuttige nieuwe informatie aan het licht; zelden blijkt de oorspronkelijke diagnose verkeerd. De kosten zijn tijd en geld; de winst is een helderder beeld voor beide ouders.

De overgang naar de volwassenenzorg. Rond hun achttiende dragen de kinderspecialisten over aan de specialisten voor volwassenen. Dat is een belangrijk moment. Beide ouders zijn dan meestal nog betrokken (de meeste chronische aandoeningen hebben ook na het achttiende jaar nog jaren baat bij steun van de familie). De overgang zelf hoort gepland te worden, niet geïmproviseerd.

Reizen. Als het kind met de ene ouder op reis gaat, reist de aandoening mee. Medicatie voor de hele duur van de reis. Brieven van de specialist als het om een reis naar het buitenland gaat. Documentatie voor de verzekering. De ouder die thuisblijft hoort het plan te kennen en bereikbaar te zijn. Module 12, Artikel 12 gaat specifiek over reizen.

Tot slot

Een paar maanden later. De tweede bruine inhalator is er. Hij ligt in het badkamerkastje bij je mede-ouder thuis. De routine is nu: de ochtenddosis bij haar thuis op de dagen dat hij daar wakker wordt; de ochtenddosis bij jou thuis op de dagen dat hij hier wakker wordt. De blauwe inhalator zit in zijn schooltas, en die reist mee.

Sindsdien heeft hij geen dosis meer gemist.

Jij en je mede-ouder hadden deze herfst twee afspraken bij de specialist. Jullie waren allebei bij beide. Bij de tweede afspraak is de dosis iets aangepast. Beide huizen hebben de nieuwe dosis. Beide huizen hebben het nieuwe geschreven plan.

Het zorgplan van school is aan het begin van het schooljaar vernieuwd. Jullie hebben allebei getekend. De verpleegkundige heeft de inhalatoren en kent het plan. De leerkracht van dit jaar is ingelicht tijdens het eerste oudergesprek; jullie waren er allebei bij.

Hij had één aanval in november, thuis. Je handelde hem af met het zorgplan. Je stuurde binnen twintig minuten een bericht aan je mede-ouder: Milde aanval om 16:00. De oranje zone gevolgd. Hij is nu rustig. Ik laat het morgen weten als er nog iets is. Ze antwoordde: Begrepen. Dank je. Laat het weten als er vannacht iets is.

Niets in de nacht. De volgende ochtend, een gewone dag. School. Vriendjes. Voetbaltraining.

De chronische aandoening hoort bij zijn leven. Ze is niet zijn hele leven. De structuur die jullie er samen omheen bouwden (dubbele medicatie, een gedeeld geschreven plan, afstemming met school, beide ouders vaardig) doet wat goede structuren doen: ze vangt de complexiteit op bij de ouders, zodat het kind een gewoon leven ervaart.

Dat is het doel van dit artikel. Een kind met astma dat de meeste dagen niet aan astma denkt. Een kind met diabetes dat het regelen niet als een voortdurende last ervaart. Een kind met allergieën dat naar de verjaardag van een vriendje kan zonder angst. Een kind met ADHD dat in beide huizen dezelfde steun heeft.

Het werk is dagelijks. De structuur is wat het dagelijkse werk vol te houden maakt.

Dat is het artikel. Het werk gaat door.

Dit is ondersteunende zelfhulp, geen medisch, psychologisch of juridisch advies, en geen vervanging voor een gekwalificeerde professional. Als jij of je kind in gevaar kan zijn, bel dan de lokale hulpdiensten.