dip
Koop een koffie
Module 02 · Peuters & zindelijk worden

Het zindelijkheidsplan voor twee huizen

By the dip team · Clinical consultant: Pauline Sam, MD ·

0–310 min lezenHoeksteen
Het zindelijkheidsplan voor twee huizen

Het zindelijkheidsplan voor twee huizen

Module 02 · Peuters & zindelijk worden · Artikel 02 · Wave 1 · 0–3


Je tweejarige laat de signalen al weken zien. Hij vertelt je wanneer zijn luier nat is. Hij is geïnteresseerd in de wc. Hij blijft twee uur achter elkaar droog. Je bent er klaar voor om te beginnen. Je hebt het potje gekocht, je hebt de boekjes gekocht, je hebt het speciale onderbroekje met de dino's erop gekocht.

Je bent nog niet begonnen, want je weet niet wat je mede-ouder bij het andere huis gaat doen. Drie weken geleden ben je er een gesprek over begonnen, en dat kwam niet echt aan. Dus zet je hem op het potje als hij bij jou is, en stuur je hem in een luier mee als hij daarheen gaat.

Drie maanden later wil hij niet meer op het potje zitten.

Dit artikel gaat over hoe je dat voorkomt, of hoe je het weer rechttrekt. Zindelijk worden in twee huizen is echt lastiger dan in één huis. Tegelijk lukt het elke dag, bij tienduizenden gezinnen. De factoren die het laten werken zijn te kennen en niet talrijk. Dit artikel zet ze op een rij.

Waarom zindelijk worden in twee huizen structureel lastiger is

Een peuter die een nieuwe vaardigheid leert, heeft consistentie nodig. Hetzelfde seintje, dezelfde woorden, hetzelfde lichaamsgeheugen, hetzelfde vieren. Als het kind twee huizen heeft die een verschillende aanpak draaien, moet het om de dag opnieuw leren wat er gebeurt.

Het kind doet niet moeilijk. Je vraagt het kind om de vaardigheid twee keer te leren, met tegenstrijdige signalen. Bij mama zit ik op het potje. Bij papa draag ik een luier. De meeste peuters lossen dat op door op allebei af te haken. Het zindelijk worden stokt of draait terug.

Het kernprincipe: beide huizen moeten hetzelfde doen, op hetzelfde moment, met dezelfde woorden. Lukt die afstemming met je mede-ouder niet, dan duurt zindelijk worden twee keer zo lang en kost het twee keer zo veel moeite, en lukt het misschien helemaal niet binnen de peuterperiode.

Dit is het gesprek dat je als eerste voert. Al het andere in dit artikel komt daaruit voort.

Tekenen dat het kind eraan toe is, kort

De meeste kinderen laten tussen de achttien maanden en drie jaar zien dat ze eraan toe zijn. Sommige eerder, sommige later. In Nederland beginnen gezinnen vaak wat later, rond de tweeënhalf jaar, en dat is geen achterstand. De tekenen dat het lichaam er klaar voor is:

  • Blijft overdag twee uur of langer droog
  • Merkt en vertelt het wanneer de luier nat of vuil is
  • Toont interesse in de wc, het potje, of in anderen die ze gebruiken
  • Kan een broek omhoog en omlaag trekken
  • Geeft behoeften aan (met woorden of een gebaar) voordat het gebeurt
  • Heeft een redelijk voorspelbaar poeppatroon

Je hebt niet alle zes nodig. Drie of vier is meestal genoeg. Als er bijna geen aanwezig zijn, wacht dan. Kinderen die geduwd worden voordat ze eraan toe zijn, worden langzamer zindelijk, niet sneller. Wie laat begint, is vaak in een paar dagen zindelijk, terwijl het bij wie vroeg begint maanden kan duren.

Specifiek voor twee huizen, over timing: begin niet in een week waarin het kind ongewoon lang bij één huis is. Je wilt dat beide huizen binnen de eerste drie of vier dagen aan de beurt komen, zodat de routine in allebei snel gaat zitten. Zit er een lang blok in de planning, een vakantie of een werkreis, wacht dan tot daarna.

Het gesprek met je mede-ouder

Dit is het gesprek waar alles op rust. Behandel het ook zo.

Wat je meeneemt:

  • De tekenen die je ziet, met data erbij
  • Een voorgestelde startdatum, het liefst twee weken vooruit
  • Een voorgestelde aanpak (een van de drie hieronder, of wat goed voelt)
  • Een voorgestelde gedeelde woordenschat
  • Een voorgesteld plan om informatie tussen de huizen door te geven in de periode dat je ermee bezig bent
  • Een lijstje van wat elk huis in huis moet hebben

Waar je om vraagt:

  • Een eerlijke inschatting of jullie de aanpak bij het andere huis kunnen volhouden
  • De aanpak waar je mede-ouder de voorkeur aan geeft, als die er is
  • Een eerlijke lezing van de timing (soms speelt er bij één huis iets waardoor zindelijk worden nu juist lastig is)
  • De afspraak om het over twee weken opnieuw te bekijken als het niet werkt

Als je mede-ouder niet genoeg betrokken is om dit gesprek te voeren, heb je een ander probleem dan zindelijk worden, en is Module 08, Communicatie met de andere ouder, artikel 01 over toon boven inhoud een beter startpunt. Probeer niet in je eentje zindelijk te trainen over twee huizen heen. Het is het kind dat de prijs betaalt.

Het gesprek, warm ingestoken: Ik denk dat hij eraan toe is. Ik zou graag samen willen beginnen. Kunnen we een plan bedenken?

Een aanpak kiezen

Er zijn drie gangbare aanpakken. Geen enkele is goed voor elk gezin. De aanpak doet er minder toe dan de afstemming.

Geleidelijk. Introduceer het potje. Laat het kind erop zitten op voorspelbare momenten, na het eten, voor het bad, bij het wakker worden. Geen druk. Ga door met luiers tot het kind uit zichzelf consequent het potje gebruikt. Langzaam, maar weinig spanning. Duurt vaak 4 tot 12 weken.

Intensief (soms de driedaagse genoemd). Maak de agenda leeg voor 3 tot 5 dagen. Het kind draagt een onderbroek of niets onderom. Vaak een seintje. Reken op ongelukjes. Veel kinderen krijgen het overdag onder de knie in 3 tot 7 dagen met deze aanpak. Vraagt dat beide huizen er binnen de eerste week mee bezig zijn.

Met beloningen. Stickers, kleine traktaties, een feestje wanneer het kind het potje gebruikt. Wordt vaak gecombineerd met een van de twee hierboven. Sommige gezinnen merken dat beloningen de boel versnellen, andere merken dat ze juist hun eigen spanning oproepen. Test het met je kind.

Kies er één. Beide huizen gebruiken die. Schakel niet na een week over omdat het langzaam gaat.

Nog iets over wat niet werkt: druk. Een kind op een potje duwen zorgt dat het langer tegenstribbelt. Een ongelukje beschaamd maken maakt het volgende juist waarschijnlijker. Het zindelijk worden werkt omdat het kind het zelf wil. Jouw taak is om het makkelijk en fijn te maken om het te willen. Niet om het moeilijk te maken om het niet te willen.

Wat elk huis in huis moet hebben

Spullen, hetzelfde of bijna hetzelfde bij beide huizen:

  • Een potje, het liefst hetzelfde model
  • Een opstapje en een verkleiner voor de gewone wc
  • Genoeg onderbroekjes (meer dan je denkt; vijftien bij elk huis is niet te veel in week één)
  • Makkelijk op te trekken broeken of rokjes (geen knopen, geen ritsen, geen tuinbroeken)
  • Doekjes binnen het bereik van het kind
  • Een waterdichte matrasbeschermer
  • Op elk moment een setje schone kleren bij de hand
  • Schoonmaakspullen voor ongelukjes
  • Voor de nacht, als je tegelijk 's nachts wilt trainen: oefenbroekjes of een waterdicht hoeslaken (artikel 11 in deze module gaat over de nacht)

Wat er bij elke wisseling meegaat in de tas:

  • Drie of vier extra onderbroekjes
  • Twee broeken
  • Een natzak of plastic zak voor vuile kleren
  • Doekjes
  • Het reispotje als het kind dat gebruikt (sommige gezinnen houden er in elke auto een)

De meeste gezinnen geven zo'n honderd euro per huis uit aan de eerste spullen. Die investering is het waard. Zindelijk willen worden zonder de juiste spullen bij één huis is een reden waarom de afstemming misloopt.

Dezelfde taal

Beide huizen gebruiken dezelfde woorden. Dat klinkt klein. Het is niet klein.

Kies het woord voor plassen, het woord voor poepen, het woord voor de lichaamsdelen die erbij horen, het zinnetje waarmee je het kind vraagt, en het zinnetje waarmee je het viert. Gebruik ze consequent bij beide huizen. Het kind leert een woordenschat naast een gedrag, en die woordenschat moet bij het lichaamsgeheugen passen.

Voorbeelden (kies de woorden die het gezin echt gebruikt; dit zijn illustraties):

  • Plassen voor de kleine boodschap
  • Poepen voor de grote boodschap
  • Wc of potje voor de plek
  • Moet je even? als het zinnetje
  • Goed gedaan, knap hoor als het feestje

De keuze doet er niet toe. De consistentie wel.

Het dagelijks doorgeven van informatie

In de periode dat je ermee bezig bent, hebben beide huizen elke dag even een korte uitwisseling nodig. Dit is niet vrijblijvend.

De informatie die je minstens doorgeeft:

  • Wanneer het kind voor het laatst ging, met de tijd erbij
  • Hoeveel ongelukjes vandaag, en ongeveer wanneer
  • Wat er vandaag ongewoon goed werkte
  • Wat er niet werkte
  • Iets over humeur, vermoeidheid, eten (dat speelt door naar de volgende dag)

Dit kan een berichtje zijn, een snel spraakbericht, of een notitie in een gedeelde app. De ouder die het stuurt zou er onder de twee minuten over moeten doen, de ouder die het ontvangt onder de minuut om het te lezen. En die leest het voordat het kind er is, niet erna.

Als de verhouding tussen de twee huizen deze uitwisseling lastig maakt, geef dan een minimum door dat alleen over het kind gaat, alleen de tijden en het aantal ongelukjes, in een gedeelde notitie of app. De uitwisseling is voor het zindelijk worden van het kind, niet voor een van beide ouders.

Terugval en ongelukjes

Ongelukjes horen erbij. Zelfs als een kind een week lang betrouwbaar het potje heeft gebruikt, is een ongelukje normaal. Twee ongelukjes op een dag is normaal. Een rotweek met vijf ongelukjes per dag, in week drie, valt nog steeds binnen de marge.

Terugval rond de wisseling is het meest voorkomende patroon. Het kind doet het een paar dagen prima, gaat over naar het andere huis, heeft meer ongelukjes in de eerste 24 uur, en komt dan tot rust. Dat is normaal. Het zakt meestal weg over vier tot zes weken.

Wat je doet tijdens een terugval:

  • Niet straffen
  • Niet beschaamd maken
  • Niet opnieuw met de aanpak beginnen
  • De aanpak rustig vasthouden
  • Het patroon noteren (is het altijd bij de wisseling, altijd na een lange slaap, altijd als het kind moe is?)
  • De gegevens delen met je mede-ouder

Wat je niet doet:

  • Een week terug naar luiers en het dan opnieuw proberen
  • Het kind vertellen dat het je heeft teleurgesteld
  • Het vergelijken met een broertje, zusje of neefje dat sneller zindelijk was
  • Feller dreigen of omkopen

Een terugval die na vier weken niet wegzakt, is een signaal. Of de aanpak houdt bij één huis geen stand, of de timing klopte niet, of er speelt iets anders: ziekte, een nieuw broertje of zusje, een verandering in de planning. Dan is het een nieuw gesprek met je mede-ouder, geen straf voor het kind.

Wanneer je pauzeert

Een paar tekenen dat het de moeite waard is om het zindelijk worden te pauzeren en het over een paar weken of maanden opnieuw te proberen:

  • Het kind raakt structureel van slag van het potje (huilen, zich verstoppen, uren ophouden)
  • Verstopping ontstaat of wordt erger
  • Eén huis krijgt de aanpak niet volgehouden, ondanks meerdere pogingen om af te stemmen
  • Het kind slaapt bij beide huizen flink te kort
  • Er is een grote verandering gaande: een nieuw broertje of zusje, een verhuizing, een zieke ouder

Pauzeren is geen mislukking. Het lichaam en het brein van het kind zijn er over zes tot tien weken meer aan toe dan nu. Een kind dat over zijn grens is geduwd, kan er langer over doen om er weer aan toe te komen dan een kind dat twee maanden later begon.

Weer oppakken na een pauze: hetzelfde gesprek met je mede-ouder, dezelfde aanpak, een frisse start.

De nacht, kort

Overdag droog blijven en 's nachts droog blijven zijn verschillende mijlpalen in de ontwikkeling. De nacht volgt op de dag, vaak maanden later en soms een jaar of meer. Probeer niet tegelijk 's nachts te trainen, tenzij het kind tekenen laat zien dat het 's nachts droog is, zoals de meeste ochtenden met een droge luier wakker worden.

Artikel 11 in deze module gaat uitgebreid over zindelijk worden in de nacht over twee huizen heen. Tot je op dat punt bent, zijn oefenbroekjes 's nachts prima, bij beide huizen, zo lang als nodig is. Maak van de nacht geen prestatiekwestie voor de ouders.

Tot slot

De tweejarige uit het begin, met het onderbroekje met de dino's en het gestokte zindelijk worden, is er weer bovenop te krijgen. Net als de vierjarige die het nooit helemaal afmaakte. Net als de driejarige van wie de twee huizen het al zes maanden verschillend doen.

De weg vooruit is in alle gevallen dezelfde. Voer het gesprek met je mede-ouder. Kies een aanpak. Richt beide huizen in. Spreek de woorden af. Zet een dagelijkse uitwisseling van informatie op. Houd de aanpak rustig vast. Straf ongelukjes niet. Noteer terugvallen, deel ze, begin niet opnieuw. Pauzeer als je dat nodig hebt. Pak het weer op als beide huizen er klaar voor zijn.

De meeste kinderen in een leven met twee huizen zijn rond hun derde of vierde overdag betrouwbaar zindelijk, als beide huizen op één lijn zitten. De kinderen bij wie dat niet zo is, doen er vaak tot hun vierde of langer over, met onderweg meer wrijving en meer spanning. Het verschil is de afstemming, niet het kind.

Het onderbroekje met de dino's ligt nog in de la. Morgen bel je je mede-ouder.

Dit is ondersteunende zelfhulp, geen medisch, psychologisch of juridisch advies, en geen vervanging voor een gekwalificeerde professional. Als jij of je kind in gevaar kan zijn, bel dan de lokale hulpdiensten.